De tijd tikt maar door. Onverbiddelijk. Soms zachtjes op de achtergrond, soms hoorbaar hard.
De broers en zussen van mijn ouders zijn er al jaren niet meer. Mijn moeder overleed in januari 2006, als laatste van haar generatie. Dat besef komt niet in één klap, dat sijpelt langzaam binnen. Ook veel neven en nichten zijn inmiddels weg. Van moeders kant zijn we nog met vier. Vier. Dat is ineens geen familie meer voor een volle verjaardagstafel, maar een klein kringetje herinneringen.
Van vaders kant kende ik ze niet allemaal. Ze woonden in het westen, ver weg van ons Groningse leven. We zagen elkaar nauwelijks. Maar ook daar zal het stil geworden zijn. Zowel mijn vader, mijn moeder als ik waren nakomertjes. Altijd een beetje achteraan in de rij van generaties. Tot je ineens merkt: er is geen rij meer voor je.
En bij vrienden en vriendinnen? Daar ziet het plaatje er niet veel anders uit. Afgelopen week overleed de één na laatste. Een respectabele leeftijd van 91 jaar. Een slopende ziekte. Dan weet je dat het goed is zo, hoe verdrietig ook. Het leven mag soms zachtjes uitgaan.
En dan is er nog één vriendin met een vader. Ver in de negentig. Kort geleden gevallen. Hij zal niet meer terugkeren naar zijn huisje. Het wordt een verzorgingshuis in de regio. Met een beetje geluk in Hoogezand, maar het kan net zo goed Friesland of Drenthe worden. Keuze is er nauwelijks meer. Dat is ook de realiteit van deze tijd.
En dan… dan kijk je om je heen.
Dan zijn wij ineens de oudste generatie.
Dat klinkt groot. Bijna plechtig. Maar het voelt vooral kwetsbaar. Alsof je ongemerkt een drempel bent overgestapt. Geen ouders meer om naar op te kijken. Geen ooms of tantes die het allemaal al eens hebben meegemaakt. Wij zijn nu degenen met de verhalen. Met de herinneringen. Met de verantwoordelijkheid om ze te blijven vertellen.
De tijd tikt door.
En wij tikken mee.