Soms vraag ik me af wat we eigenlijk verwachten van mensen met een kroon op hun hoofd.
Als ik naar de geschiedenis kijk, zie ik geen sprookje. Ik zie mensen van vlees en bloed. Bernhard van Lippe-Biesterfeld werd jarenlang bewonderd, maar bleek ook een man van affaires en schandalen. In 1940 week de regering uit naar Londen en bleef Nederland bezet achter. Dat was oorlog, dat was realiteit — maar het schuurt nog altijd in mijn gevoel.
En nu leven we in een andere tijd, met een andere koning. Willem-Alexander probeert zichtbaar zijn best te doen, maar het koningschap voelt minder vanzelfsprekend dan vroeger. Respect krijg je niet meer automatisch omdat je een titel draagt. Dat moet je verdienen, elke dag opnieuw.
Wat me opvalt: het rommelt niet alleen hier.
In Engeland beschadigde Prins Andrew zijn reputatie ernstig door zijn vriendschap met Jeffrey Epstein. En in Noorwegen kwamen ook vragen naar boven rond contacten van Mette-Marit in het verleden. Bovendien haalde haar zoon Marius Borg Høiby de kranten met verhalen over agressief gedrag. Geen officiële prins, maar wel iemand die door zijn afkomst onder een vergrootglas ligt.
En dat is precies mijn punt.
Een monarchie is geen sprookje meer. Het is een instituut dat alleen kan blijven bestaan als het vertrouwen houdt. En vertrouwen is kwetsbaar. Eén verkeerde keuze, één schandaal, één verkeerde vriend – en het fundament begint te scheuren.
Misschien ben ik kritisch. Misschien zelfs een beetje sceptisch. Maar ik vind dat macht, status en belastinggeld ook verantwoordelijkheid betekenen. Wie symbool staat voor een land, moet zich bewust zijn van elke stap.
Koninklijke allure is mooi. Maar integriteit is belangrijker.
Dat is mijn kijk op de royals.