Het boekje zelf is inmiddels oud en wat versleten, zo’n echt jongensboek uit een andere tijd. Ooit ontdekte ik het in een klein museum over de jaren 40-45. Toen het museum afgelopen jaar noodgedwongen sloot — de eigenaar moest verhuizen en zag het op zijn leeftijd niet meer zitten om opnieuw te beginnen — werden veel boeken en voorwerpen verkocht.
Punt tien uur stond ik al voor de deur. En ja hoor… hebbes. Een kinderboekje over de Tweede Wereldoorlog én ook nog eens spelend in Egmond aan Zee. Soms weet je meteen dat iets in je verzameling thuishoort. Dit boekje moest gewoon tussen mijn oorlogsboeken komen te staan.
De zomer in Egmond aan Zee voelde voor Pim als één groot avontuur. Samen met zijn vader, moeder, broer en zusjes liep hij iedere dag naar het strand. Ze bouwden zandkastelen, zochten schelpen en aten ijsjes terwijl de meeuwen luid boven hun hoofden krijsten. Maar plotseling veranderde alles. Grote mensen fluisterden bezorgd met elkaar en overal klonk het woord: mobilisatie.
Halsoverkop pakte het gezin de koffers weer in en reisde terug naar huis. Voor Pim voelde het vreemd; de vakantie was ineens voorbij zonder afscheid van zee en strand. Thuis wachtte echter een nieuwe verrassing. De school waar zijn vader hoofd van was, bleek vol Nederlandse soldaten te zitten. Overal stonden fietsen, helmen en zware laarzen. Soldaten liepen lachend over het schoolplein en in de lokalen stonden bedden in plaats van schoolbanken.
Waar de volwassenen zich zorgen maakten, keek kleine Pim zijn ogen uit. Voor hem leek het haast een spannend avontuur. Hij kreeg soms een vriendelijk knikje van een soldaat, mocht een keer door een verrekijker kijken en luisterde ademloos naar stoere verhalen. De oorlog begreep hij nog niet — maar die bijzondere dagen op school zou hij nooit vergeten.
Iedere ochtend werd Pim al wakker van het geroffel in de verte. Nog vóór de zon goed boven de huizen uitkwam, stonden de soldaten klaar om te vertrekken richting de Eem, onder de rook van Amersfoort. Voorop liepen de trommelaars, fier rechtop, met hun stokken ritmisch slaand op de trommels. Pim vond het prachtig.
En misschien was het daarom wel het mooiste verjaardagscadeau ooit geweest: op zijn zesde verjaardag had hij zelf een trommel gekregen, mét twee echte stokjes. Vanaf dat moment kende zijn geluk geen grenzen meer. Iedere morgen sprong hij veel te vroeg uit bed, nog voordat moeder hem had geroepen. Mopperend trok zij de dekens recht terwijl Pim beneden al met zijn trommel stond te wachten.
Tegen de zin van moeder in mocht hij mee tot aan het einde van het dorp. Daar liep hij trots naast de grote trommelaars, zijn kleine beentjes haastig om het tempo bij te houden. De soldaten lachten vaak om dat kleine mannetje met zijn ernstige gezicht en driftige geroffel.
Toch vond Pim het jammer dat hij altijd terug moest. Want verderop, bij de Eem, gebeurde het échte spannende werk. Daar lagen de soldaten in stellingen en daar kon ieder moment iets gebeuren. Vader was er geweest en had streng gezegd dat het veel te gevaarlijk was voor een kleine jongen.
Maar telkens als Pim de trommelaars zag verdwijnen in de ochtendmist, begon het avontuur verderop toch aan hem te trekken… alsof daar, achter de horizon, iets wachtte dat hij ooit zelf moest gaan ontdekken. Maar zal gebeuren en zal dit wel goed gaan?