In het noorden van Nederland lag ooit een stadje dat bekendstond als ‘Lutje Mokum’ – klein Amsterdam. Winschoten was in de 19e en vroege 20e eeuw een levendig centrum van Joods leven, zelfs zo sterk dat het, na Amsterdam, procentueel de grootste Joodse gemeenschap van het land kende.
De stad groeide mee met de handel en welvaart van die tijd, en daarmee bloeide ook de Joodse gemeenschap. Rond 1930 woonden er zo’n 510 Joden in Winschoten. Ze vormden een hechte en actieve groep, met een eigen synagoge aan de Bosstraat, een Joodse school, en organisaties die zorgden voor armen en begrafenissen. Het was een gemeenschap die zichtbaar en verweven was met het dagelijks leven in de stad.
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, in 1941, telde Winschoten nog 493 Joodse inwoners – ongeveer 11% van de totale bevolking. Maar die levendige wereld werd in korte tijd vrijwel volledig weggevaagd. In 1942 en 1943 werden de meeste Joodse inwoners gedeporteerd. Slechts een kleine groep, ongeveer twintig mensen, overleefde de oorlog.
Wat ooit een bruisend en herkenbaar deel van de stad was, bleef daarna vooral voortbestaan in herinneringen, verhalen en de sporen die nog zichtbaar zijn voor wie goed kijkt. Winschoten verloor niet alleen inwoners, maar een belangrijk deel van zijn ziel.





