Ah kijk, we zitten natuurlijk bij de Olympische Winterspelen 2026 in Milaan en Cortina d’Ampezzo. Geen zomerse hardloopbanen dus, maar sneeuw, ijs en oranje mutsen.
En wat gebeurde daar? Tien keer goud. TÍEN.
Het begon op het ijs. Onze schaatsers reden rondjes alsof ze de weg naar huis al kenden. Commentatoren raakten buiten adem nog vóór de rijders dat waren. Daarna het shorttrack: drie Nederlanders in de finale en de rest van de wereld die zich afvroeg of ze per ongeluk bij het NK waren beland.
Na goud nummer acht begon het wat ongemakkelijk te worden. Het Wilhelmus werd zo vaak gespeeld dat de speakers in het stadion spontaan Nederlands begonnen te leren. Bij goud nummer tien stond half Nederland midden in de nacht in pyjama te juichen, terwijl de buren dachten dat er een sneeuwstorm door de straat trok.
En het mooiste? Iedereen deed alsof het heel normaal was. “Tien gouden medailles? Ach ja, we hadden goede wax onder de schaatsen.”
Maar diep van binnen wisten we het: dit waren Winterspelen om in te lijsten. Met sneeuw, spektakel en een gouden randje.