Werk dat doordendert, vergaderingen die als dominostenen in elkaar overlopen, en ergens daartussen die ene nobele missie: “er moet ook nog een gezonde maaltijd op tafel.”
Je begint de dag met goede moed. Agenda strak, hoofd vol plannen. Maar nog vóór de eerste thee koud is, staat er al een extra meeting in je agenda. “Duurt maar tien minuutjes,” zeggen ze. Spoiler: het worden er meer. Natuurlijk.
Tussendoor mailt iemand met “even snel een vraagje” — het soort vraagje waar je een halve hersencel én drie Excel-tabbladen voor nodig hebt. Je tikt, je klikt, je schakelt, je lacht professioneel, je denkt onprofessioneel.
En dan: etenstijd in zicht.
Niet dat snelle “tosti en ketchup”-niveau, nee nee — gezond. Want jij bent iemand die balans belangrijk vindt. Dus tussen werk en snel even naar Veendam om een bestelling op te halen door, sta je ineens witlof te snijden alsof je meedoet aan een stress-editie van MasterChef. Laptop open, pan op het vuur, telefoon pingt, agenda piept, en jij roert met één hand terwijl je met de andere “ja dat lijkt me een goed plan” appt.
Maar eerlijk is eerlijk:
Aan het eind van de dag staat er eten op tafel. Werk is gedaan. Vergaderingen overleefd. Niemand huilde (inclusief jijzelf). En dat is eigenlijk gewoon een kleine overwinning.
Zo’n chaosdag waarop je denkt: het was druk, het was veel, maar hé — we leven nog, en we eten gezond ook nog.
Kortom: geen perfecte dag. Wel een échte. En soms is dat precies genoeg.